Close
2017 website
U heeft geen artikelen in uw winkelwagen.
Zoek
Filters

Stijladvies Hemd en Armoede

Shirts en armoede

armoede hemd

Tot de tweede helft van de negentiende eeuw  –  de tijd dat de naaimachine zijn intrede deed   -  werd elke steek aan ieder kledingstuk met de hand gemaakt.  Was het naaien van bovenkleding kleermakerswerk, minder luxueuze hemden werden door vrouwenhanden in elkaar gezet.  Dat gebeurde voornamelijk thuis.

De dames van gegoede stand, uit de burgerij en uit de klassen met de allerlaagste inkomens; zij allen bogen zich over ondergoed en hemden.  De rijken naaiden dergelijke kledingstukken voor de armsten als een vorm van liefdadigheid.  Een vrouw die haar handen niet nuttig gebruikte was immers verdacht.  De armsten naaiden het ondergoed en de shirts voor de rijken als schamele bron van inkomsten.

In de klassen daartussen kocht men voor een schijntje hemden bij thuisnaaisters en voorzag men voor een deel in de eigen behoefte.  Zoals in de romans van Jane Austen, waar de nuttige thee- en naaikrans wordt bezocht door de vrouwelijke Austen-personages.  Begin negentiende eeuw ageerde mrs. Mary Lamb – in een damesblad – nog tegen het naaien van hemden in de gegoede kringen.  Men zou met het zelf ter hand nemen van naald en draad het toch al zeer schaarse brood uit de monden van de thuisnaaisters stoten.

In de geest van haar gedachten prees men in het midden van die eeuw het technisch vernuft van de nieuwe naaimachine.  Die zou het werk verlichten.  Helaas : voor vele vrouwen die achter de nieuwe vinding te werk werden gesteld bleek dit een ijdele gedachte.  Extra lange werkdagen, zwaar werk en een keldering van de prijzen voor het vervaardigen van shirts waren het gevolg.  Zo vermeldt een politierapport in 1849 dat het naaien van een volwaardig hemd de naaister tweeënhalve pence opleverde.  Een bedrag dat ook als fooi werd gegeven.

‘Appearance  -  Appearance is everything, mon ami !’  (Je verschijning,  daar draait alles om,  mijn vriend’).  Dat zijn de woorden van Boris, de man waarmee de voortdurend op het absolute bestaansminimum levende George Orwell in zijn boek Down and Out in Paris and London zijn kommervol bestaan, en de kwellingen van het vinden van een baantje deelt.  Dat lukt slecht, omdat zij hun uiterlijk niet toonbaarder krijgen.  Boris zegt dan ook : ‘Geef me een nieuw pak en ik leen je duizend francs bij het avondeten.  Wat jammer dat ik geen nieuw boord gekocht heb toen we geld hadden.  Vanochtend heb ik mijn boord binnenstebuiten gedaan, maar wat heeft dat voor zin, de ene kant is net zo vuil als de andere kant.  Vind je dat ik er hongerig uitzie, mon ami?’

Een conversatie over hetzelfde onderwerp voert H.G. Wells’ hoofdpersonage Kipps met zijn vriend Buggins, die de eerste adviseert om nooit of te nimmer afstand te doen van boord en manchetten en vertelt hoe je het ontbreken van een hemd kunt camoufleren.  Een dialoog met een pijnlijk, prachtig einde.

‘No shirt I expect?’

‘Ate it,’ said Buggins.

Het boetehemd

boete hemd

Bij opgraving van het lijk van Becket, vermoord op bevel van Hendrik VIII, merkte men op dat de ‘heilige’ bisschop nogal bijzonder gekleed was: onder een bruine mantel ging een witte suplice schuil,  een jas van schapebont, twee wollen capes, een benedictijner pij en een hemd.  Onder dit hemd trof men nog een hemd aan, een zogenaamd boetekleed, dat was tegengevoerd met ruw paardehaar.  Volgens de overlevering zaten zowel dit boetekleed als de daarboven gedragen lagen vol met luizen en vlooien.  Zij maakten het martelaarschap van Becket extra zwaar, zoals ze iedereen pestten die in meer warme lagen gekleed ging en wassen als een zeer onkerkelijke daad beschouwde.  Het harige boetekleed, afgeleid van de kameelharen tuniek die Johannes de Doper droeg, werd King Henry door de toenmalige paus ook aangeraden als boetedoening voor zijn zonden.